In de ingetogen indie-film The Visitor kiest een geïsoleerde man van (ruim) middelbare leeftijd toch weer voor het leven. Buitenkansje voor een acteur die lang over het hoofd werd gezien.
at is het een genoegen om Richard Jenkins in The Visitor aan het werk te zien. We zagen 'm al in tientallen films en als de regelmatig voor goede raad terugkerende dode vader in Six Feet Under. Nu heeft hij eindelijk eens een heuse hoofdrol. Hij speelt Walter Vale, een docent economie die zich na de dood van zijn vrouw heeft teruggetrokken in een emotioneel kluizenaarsbestaan. Empathie is er niet bij, zo merken we in een vroege scène waarin een student hem om een kleine gunst vraagt. Het is duidelijk dat zo'n personage maar één kant op kan: hij moet uit zijn schulp kruipen.
Zo gaat het ook, maar de manier waarop dat gebeurt zit vol met prettige verrassingen. Walter treft in zijn New Yorkse appartement twee illegale vluchtelingen aan: de Syrische muzikant Tarek en diens Senegalese vriendin Zainab, die juwelen ontwerpt en verkoopt. Walter sluit vriendschap met ze en ontdooit, zeker als ook Tareks moeder in New York verschijnt. Tegen die tijd is de lichte toon al uit het verhaal verdwenen, want Tarek is opgepakt en dreigt uit het land te worden gezet.
Regisseur Thomas McCarthy maakte eerder The Station Agent en ontroert in zijn tweede film opnieuw met zijn vermogen om levensechte karakters op te voeren. Maar er is ditmaal meer: The Visitor presenteert New York als een stad van immigranten en stelt vragen over de rechten van mensen zonder papieren in de post-9/11-samenleving. Het laat Walter allemaal niet onberoerd. Jenkins bouwt Walters op zich voorspelbare metamorfose schitterend op. Onvergetelijk is het beeld van die schrale, grijze, oerblanke man die vol overgave op een djembé zit te rammen.